United States
Unknown
Unknown BotYour IP: 38.107.191.90
vrije tijd op het internaat
|
De vrije tijdsbesteding op het internaat. Na het verplichte dagrooster op school en het eet-, studie en slaaprooster op het internaat was er ook nog vrije tijdsbesteding voor de bewoner van het internaat. Dat mocht je zelf naar keuze invullen met verplichte activiteiten. Dus het was vrijheid in gebondenheid. Het liefst zag de prefect cum suis, dat er gezelschapsspelletjes (mens erger je niet, schaken dammen, biljarten vanaf klas 3, tafeltennissen, roken in een groepje vanaf groep 3) werden gebezigd. Lekker overzichtelijk en geen gezeik (=ruzies ????). Buiten iets gaan doen betekende voetballen op “het hoge veld” (bijna grasloze trappelveldje naast de tuin van de “calvinist”). De cour (schoolplein) werd bijna niet gebruikt. Ik kan me herinneren, dat we het schoolplein tijdens een strenge winter (1963 ??) in ploegendienst `s nachts lieten onderlopen met water , de putten werden met kranten afgedekt, en er was een schaatsbaan, waar je rondjes om de “kerk” kon maken.
Overigens het voetballen was de sport voor hbs`ers en hockey voor de gymnasiasten. Waarom eigenlijk ? Misschien genereert hockey bijna geen lichaamscontacten in tegenstelling tot het voetbalspel. Dus waar zit de echte beschaving ? Juist bij de gymnasiasten . Ik zelf speelde dus uiteraard hockey, maar op basaal niveau. Was je bezig met je muzikale talenten te ontwikkelen, dan kon je met als bewijsstuk de pianopartituur van je muziekleraar of lerares vingergymnastiek bezigen op de piano’s in kleine kamertjes met als resultaat herrie of zoet gevooisde klanken. Het weekend begon elke zaterdag na 13.00 uur en duurde tot zondagavond. Wat gaan we dan allemaal in gebonden vrijheid doen, was dan de klemmende vraag. Iets bedenken om even zonder begeleiding de poort uit en de stad in. Je moest wel een legitieme uitleg aan de prefect kunnen geven, wat je van plan was en met wie ? Zo kwam ik met 2 anderen tot een plan, dat ten voordele was voor één van ons drieën. Hij wilde zijn geheime geliefde ontmoeten. Wij gingen mee als dekmantel. Zij was een leuke meid. Jammer voor ons tweeën. De stad in betekende ook bijtanken: patat eten op het Nolensplein. De katholieke identiteit was ook een onderdeel van de vrije tijdsbesteding. Elke ochtend om 7.30 uur de misviering, in de maanden mei en oktober het hardop bidden van de rozenkrans. Onze virtuoze organist Paul Holmes zorgde voor de begeleiding bestaande uit een afgesproken toonhoogte om toch vooral niet de indruk te wekken, dat we met een begrafenis bezig waren.
Fred Grabijn, Lee Tonnaer, Gerard v.d. Boogaard, Ton de Zwaan e.a. Schooltoneel en schoolkoor De meer getalenteerde met vocale kwaliteiten kon zich melden bij het schooltoneel of het schoolkoor. Beide activiteiten brachten je in een vast schema van repetities. Pater Miltenburg was leraar biologie, maar was in zijn vrije tijd toneelregisseur van het schooltoneel en pater Gerritsma (conrector en leraar grieks)de dirigent van het schoolkoor. In mijn beleving waren beide activiteiten van hoge kwaliteit. Zowel internen (bewoners van het internaat) als externen (leerlingen van het college , die gewoon thuis woonden) ontmoeten elkaar daar en meestal waren de internen meer trouw aan de goede zaak. Elke repetitie waren ze er, want het kostte weinig moeite om op tijd te zijn. Even de cour oversteken en je was er.
Ik was ook inspiciënt en bediende samen met Paul Holmes de diverse lichtpanelen. Het was soms net als orgelspelen: met 2 handen en soms nog een voet erbij moesten we tijdens de changementen het lichtplan aanpassen. De voetlichten, spots, bovenlichten in 2 opstellingen, geluidversterking via de microfoons en de taperecorder werden op tijd geregeld. We zaten hoog boven het maaiveld en keken via een nauwe opening naar het spel beneden. Echter voordat het draaiboek liep, zoals het uiteindelijk bedoeld was, was er nog een voor ons onduidelijke licht- en geluidsplan. Pater Miltenburg zat tijdens de repetitie meestal achterin de zaal bij de scheidingswand van de gymzaal met een sigaar, waarmee hij voor ons een rookgordijn aan het aanleggen was. We wisten nog niet, wat hij dacht. Wij kregen geen inzage in het lichtplan, want dat moest zich nog gaan ontwikkelen. Af en toe een kreet over de status van de belichting. Paul reageerde dan onmiddellijk op de vage instructies in de stijl van: hij zal wel dat bedoelen. Hij was niet voor niets ook organist, dus het handen- en voetenwerk kwamen hem bekend voor. Er werd veel geïnvesteerd. Niet alleen peertjes van 100 Watt, maar ook spotlights met kleurenfilters en zelfs volgspots werden met handmatige dimmers, die behoorlijk warm werden, bediend. Er was zelfs geluidsversterking met het stereoeffect. Er waren elk schooljaar wel 4 voorstellingen van zo’n toneelstuk. Overigens er waren toneelspelers, maar ook toneelspeelsters. |
|
|
|
|
|
|
|





Dit alles tot ergernis van de eeuwige student. De eeuwige student was nog na de verplichte studietijd (na 20.00 uur) bezig zijn Homerus tot hapklare brokken te maken in de aangrenzende studiezaal. Ik ken de namen, maar uit respect noem ik ze niet. Ze droegen ook de zgn studiemouwen. Dat zijn hoezen over je mouwen tegen slijtage.




