Rome

Afdrukken

ROME:
BASILIEK VAN SINT PIETER
IN HAAR VATICAANSE OMGEVING

ROMA:
BASILICA DI SAN PIETRO IN VATICANE

geschreven door Beer Berndsen


Inhoudsopgave

1. Inleiding
2. Beschrijving van de locatie
3. Graf van Petrus
4. Basilica Constantiniana
5. Scholae
6. Basilica di San Pietro
7. 1939: Opgravingen
8. Tot slot
    Bronnen

1. Inleiding

Een bezoek aan Rome is te vergelijken met een reis door de tijd. In Rome ligt de geschiedenis op straat. Elk gebouw, plein, kerk, fontein, ja zelfs elke hoek van een straat heeft wel een verhaal: soms zichtbaar, vaak ook verborgen hetzij ondergronds hetzij achter muren. Dikwijls blijkt de geschiedenis van bepaalde plekken een daadwerkelijke opeenstapeling van verschillende perioden uit het verleden te zijn. Rome is een stad met een historische gelaagdheid; sommigen noemen Rome dan ook een palimpsest.

Kanttekening: Palimpsest

Een palimpsest is een hergebruikt stuk perkament. De bovenste laag van dit perkament (met de tekst erop) werd afgeschraapt zodat het perkament opnieuw kon worden beschreven.

Door gebruik te maken van moderne technieken zijn geleerden er in geslaagd om de onderliggende teksten zichtbaar te maken, waardoor vaak oudere, verloren geachte bronnen konden worden gelezen.

Die opeenstapeling van geschiedenislagen is zeker ook van toepassing op de Basiliek van Sint-Pieter in het Vaticaan; elke bezoeker is in staat om hier drie niveaus van de geschiedenis te aanschouwen.

Het eerste niveau is de huidige Sint-Pieter: de kerk die u ziet en die u kunt bezoeken. Onder deze kerk ligt de vloer van de vorige kerk – de zogenoemde Oude Sint-Pieter: dit is het tweede niveau. Deze ruimte is ook toegankelijk voor iedereen en wordt aangeduid als de Grotte Vaticane; hier bevinden zich onder andere het gedenkteken op het graf van Petrus en veel paus-graven (ook dat van Paus Johannes Paulus II). Het derde niveau ligt daar onder. Het is de (gedeeltelijk uitgegraven) Romeinse begraafplaats (Necropoli sotto la Basilica Vaticana) met onder andere het onderste deel van het grafmonument van Petrus en diens (vermeende) graf; een bezoek hieraan moet – ruim te voren – worden aangevraagd.

Toelichting op het waarom van deze verhandeling

Bij een bezoek aan het Vaticaan, in het bijzonder aan de Sint-Pieter, gaat alle aandacht uit naar die Sint-Pieter en de daarin aanwezige kunstwerken; alle reisgidsen besteden ruim aandacht aan de beschrijving ervan. Slechts in enkele gevallen wordt summier de omgeving erbij betrokken. Achtergrondinformatie over het gebied waarin deze imposante basiliek is gebouwd, over de geschiedenis van het gebied, over de invloed ervan op dit gebouw en over de invloed van het graf van Petrus en de basiliek op de naaste omgeving, is nauwelijks voorhanden (tenminste anders dan in de specifieke vakliteratuur).

Kortom, er bestaan weinig teksten die iets integraals zeggen over het Vaticaanse gebied en die de wederzijdse onderlinge beïnvloeding beschrijven.

Dat wat nu kan worden bezocht, blijkt helemaal niet zo toevallig te zijn!

In algemene zin vormt dit de directe aanleiding tot deze verhandeling. Allerlei aspecten die direct of indirect iets te maken hebben met de Sint-Pieter komen aan de orde. Allereerst wordt in de paragraaf: Beschrijving van de locatie de topografie van de Romeinse Ager Vaticanus worden geschetst. Vervolgens wordt onder de kop: Graf van Petrus het gedenkteken respectievelijk het (veronderstelde) graf van Petrus behandeld. In het volgende punt: Basilica Constantiniana komt de door keizer Constantijn gebouwde basiliek aan de orde. Hierna wordt in het onderwerp: Scholae uitgebreid ingegaan op een stukje Nederlandse Middeleeuwse geschiedenis, zoals dat zich heeft afgespeeld onder de rook van de oude Sint-Pieter te Rome. De paragraaf: Basilica di San Pietro beschrijft hoe de huidige basiliek is ontstaan. Tot slot wordt aandacht besteed aan de Opgravingen die vanaf 1939 hebben plaatsgevonden onder de huidige Sint-Pieter; ook wordt in het kort aangegeven wat te zien is in de Necropoli sotto la Basilica Vaticana.

Eigenlijk dekt de onder-titel: Geschiedenis van een plek niet de lading van dit artikel; gelet op de invloed van het graf van Petrus, van de oude Sint-Pieter en van de huidige Sint-Pieter op de ontwikkeling van de naaste omgeving wordt het begrip plek ruim opgevat.



2. Beschrijving van de locatie
De kerk van Sint-Pieter staat in een gebied dat in de Oudheid bekend was onder de naam Ager Vaticanus en dat in die tijd min of meer werd begrensd door de Janiculus-heuvel (Gianicolo), de Tiber, de Vaticaanse heuvel en de Milvische brug (Ponte Milvio). Het Vaticaan van nu is dus beduidend kleiner dan de Ager Vaticanus van omstreeks het jaar 0 van onze jaartelling.


afb01 ager vaticanus


Het was een moerassig en ongezond gebied en stond altijd een beetje in de marge van de stedelijke ontwikkeling. Er bevonden zich voornamelijk grote landgoederen (Romeinse villa’s [Latijn: villa]), wijngaarden en ovens voor de productie van bakstenen en keramiek.

Een aantal van deze landgoederen was in bezit van de keizerlijke families die daar verschillende gebouwen voor (schouw)spelen hadden neergezet: onder andere de Horti Agrippinae (Park van Agrippina de Oudere, een kleindochter van keizer Augustus) en de Horti Domitiae (Park van Domitia, een tante van Nero).

Eén van die gebouwen was het Circus van Caligula (37-41), ook bekend als het Circus van Nero (54-68). Het circus was gelegen aan de voet van de (toenmalige) Vaticaanse heuvel. De noordzijde van dit circus komt ongeveer overeen met het linkerschip van de huidige Petrus-kerk. De startkooien zijn opgegraven ten oosten van het Sint-Pietersplein en de bocht moet hebben gelegen achter de huidige basiliek. Met deze lengte komt het Circus van Caligula / Nero qua grootte overeen met het Circus Maximus met in het midden – eveneens – een obelisk. Deze obelisk is in 1586 verplaatst naar de huidige plek: midden op het plein vóór de Sint-Pieter. Omdat het Circus van Nero in de loop van de tweede eeuw na Chr. niet meer werd gebruikt, kwam het tot verval.

Een ander groot gebouw in dit gebied was (en is) het Mausoleum van keizer Hadrianus. Keizer Hadrianus (117-138) had het in 135 na Chr. laten bouwen in de Horti Domitiae, sinds de eerste eeuw na Chr. in keizerlijk bezit, als laatste rustplaats voor zichzelf en de keizerlijke families.
Dit gebouw is door keizer Aurelianus (270-275) opgenomen in de verdedigingsmuren van Rome. Later werd het Mausoleum een onderdeel van de muur van de Civitas Leonina (uitleg hieronder bij punt 5) (genoemd naar de stichter Paus Leo IV [847-855]) en vluchtoord voor de pausen in geval van oorlog en bedreigingen. Sinds 590 draagt het bouwwerk de huidige naam van de Engelenburcht, Castel Sant’ Angelo.

Kanttekening: Castel Sant’Angelo

Deze naam is een verwijzing naar de legende van de Heilige Michaël, die – als teken dat de toen heersende pestepidemie in Rome voorbij was – het zwaard terug in de schede stak.

 

Noord van het Mausoleum van Hadrianus, in de buurt van de huidige Via di Cola di Rienzo, heeft zich bevonden een circusgebouw voor het houden van spiegelgevechten op water: een zogenaamde naumachia.

Ten westen van het mausoleum heeft een ander praalgraf in de vorm van een piramide gestaan: de zogenaamde Meta Romuli (afgebroken in 1499 in opdracht van paus Alexander VI). Eenzelfde piramidaal grafmonument staat nu nog bij de Porta San Paolo.

Ook was er in dit gebied ten minste één tempel: Phrygianum. De resten van offeraltaren zijn aangetroffen tijdens de bouw van de voorgevel van de (huidige) Sint-Pieter en zijn te bezichtigen in de Vaticaanse musea. Deze tempel, bestemd voor de eredienst van Cybele (ook wel bekend als Magna Mater, Moeder Aarde of Grote Moeder), was nog in gebruik tussen 295 en 300 na Chr.

Kanttekening: Phrygianum

Naar wordt aangenomen is onder keizer Antoninus Pius (138-161) het Phrygianum hier gebouwd. In dit gebouw werd de godin Cybele vereerd. Er waren allerlei altaren, versierd met reliëfs, opgericht als herdenking van een zogenaamd taurobolium (inwijdingsceremonie).

Kanttekening: Cybele
De godin Cybele is afkomstig uit Phrygië in Klein-Azië; zij werd vereerd als godenmoeder of Grote Moeder (Magna Mater) met een zeer uitgebreide cultus als vruchtbaarheidsgodin en moeder van alle leven. Zij werd vereerd in de vorm van een steen.

De symbolische steen is in 204 v. Chr. naar Rome overgebracht en deze kreeg een plaats in een tempel op de Palatijn. De cultus had eigen priesters (eunuchen) en priesteressen in dienst. Het was de eerste niet-Griekse cultus die in Rome werd ingevoerd en een tempel kreeg binnen de stadsmuren.

De inwijdingsceremonie, het taurobolium, bestond uit een doopsel door het bloed van een stier, dat een waarborg was voor de onsterfelijkheid.

Elke jaar werd op 27 maart de steen in een processie door de stad gedragen om te worden gewassen in de rivier de Tiber. Haar feest werd gevierd van 4 tot 10 april, wanneer de Ludi Magalensis werden gehouden.

De cultus verdween zoals de meeste andere mysteriën van de antieke wereld, toen de Christenen in Rome meer macht kregen en de andere goden werden afgeschreven. Toch verdween zij niet helemaal, want de Christenen vergeleken Cybele met Maria.

Kanttekening: Locatie van de basiliek van Sint-Pieter

De combinatie van de eredienst voor Cybele en het graf van Petrus heeft altijd aanleiding gegeven tot het ontwikkelen van allerlei theorieën omtrent (het ontstaan van) het Christendom en de bouw van de Sint-Pieter juist op deze locatie.

Dit thema zal niet verder worden uitgewerkt.

Bruggen en wegen

Om het gebied toegankelijk te maken (o.a. ten behoeve van diens Circus) is ten tijde van het bewind van keizer Nero (54-68) een brug over de Tiber gebouwd: de Pons Neronianus of Pons Triumphalis. Tot die tijd diende men hetzij met een boot over te varen, hetzij zich te verplaatsen via de bruggen in de buurt van het Tiber-eiland of via doorwaadbare plaatsen. Er zijn ook geleerden, die de mening zijn toegedaan dat de Pons Neronianus de stenen vervanging was van een bestaande houten brug. Ten zuiden van de huidige brug Ponte Vittorio Emanuele II is bij laag water delen van een pijler ervan nog zichtbaar; de brug is verloren gegaan vóór de 4de eeuw.

Een tweede brug, die direct toegang gaf tot dit gebied, de Pons Aelius (nu Ponte Sant’ Angelo, de Engelenbrug), werd in 134 na Chr. gebouwd onder keizer Hadrianus (117-138). Van deze brug zijn de drie centrale bogen origineel. Bij de kanalisatie-werkzaamheden aan de Tiber (1892-1894) zijn de oude opritten verwijderd.

In de Keizertijd werd de Ager Vaticanus doorsneden door drie – door consuls aangelegde wegen, die hun startpunt hadden in de buurt van de Pons Neronianus of Pons Triumphalis: de Via Triumphalis, Via Aurelia Nova en de Via Cornelia.

De Via Triumphalis liep – vóór de huidige Sint-Pieter langs – in noordwestelijke richting langs de hellingen van de Monte Mario. De Via Aurelia Nova liep vanaf de brug van Nero in zuidwestelijke richting om aan te sluiten op de Via Aurelia Vetus (die vanuit het huidige Trastevere liep in westelijke richting). En ten slotte de Via Cornelia, die vanaf de Pons Aelius ongeveer het tracé volgde van de huidige Via della Conciliazione; deze weg lag in die tijd ongeveer ter hoogte van het linker zijschip van de huidige Sint-Pieter.

Kanttekening: Via Cornelia

Vóór de afbraak van de Borgo in de dertig jaren van de vorige eeuw volgde de Via Cornelia het tracé van de Borgo Vecchio.

De hier bedoelde afbraak vond plaats na de ondertekening van het Verdrag van Lateranen (11 februari 1929), waarbij onder andere de oprichting van de kerkelijke Staat werd geregeld. Als tastbaar bewijs hiervan werd door Mussolini de Via della Conciliazione (de Weg van de Verzoening) aangelegd waarvoor die afbraak nodig was. Het aanleggen werd – overigens – pas voltooid vóór het Heilig Jaar van 1950.

Kanttekening: Via della Conciliazione

Los van alle politieke verwikkelingen werd met de realisatie van de Via della Conciliazione een oude wens van de pausen vervuld. Sinds de Middeleeuwen werden er in opdracht van de pausen ter voorbereiding van de respectieve Jubeljaren (Heilige Jaren) al plannen ontwikkeld om de toegangswegen tot de Sint-Pieter te verbeteren.

Pomerium

De vakterm pomerium staat voor de ruimte in Rome, waarbinnen niet mocht worden begraven. Deze (waarschijnlijk) van de Etrusken afstammende gewoonte is ca. 453 v. Chr. opgenomen in de Wet der Twaalf Tafelen. Ook het dragen van wapens was binnen dit gebied niet toegestaan. In de loop der eeuwen zijn de grenzen van het pomerium regelmatig verlegd; feitelijk groeide het pomerium mee met het inwoneraantal van Rome.

Kanttekening: Pomerium

Het oorspronkelijke pomerium was beperkt tot het gebied waar Rome zou zijn gesticht: de heuvels; vandaar dat in die tijd het begraven in de vlakte tussen die heuvels geschiedde.

En inderdaad, er zijn op het Forum Romanum en Forum van Caesar restanten van graven uit de tijd tussen 1000-750 v. Chr. aangetroffen. Dit soort vondsten geeft een archeologische basis aan de ‘legendarische’ verhalen van Livius over de stichting van Rome (door Remus en Romulus).

Op grond van deze regels werd er dus begraven buiten het pomerium; na de uitbreiding hiervan geschiedde dat langs de uitvalswegen. Zo ontstonden er dus begraafplaatsen aan – bijvoorbeeld – de Via Appia (de huidige Via Appia Antica), de Via Triumphalis en de Via Cornelia.

De plek waar keizer Hadrianus zijn mausoleum liet bouwen, voldeed dus aan deze Romeinse wet. Hetzelfde geldt ook voor de begraafplaats naast het Circus van Nero (aan de Via Cornelia en onder de huidige Sint-Pieter) en voor de onlangs opgegraven begraafplaats onder het Vaticaans Museum (aan de Via Triumphalis). Opgemerkt zij dat deze begraafplaatsen zich konden uitbreiden vanwege het algehele verval van de Ager Vaticanus.

Ook het praalgraf van Augustus, het Mausoleum van Augustus, lag bij de bouw op dat moment buiten het toenmalige pomerium.

Dat zich ten Vaticane een begraafplaats heeft bevonden, is dus een gevolg van de uitbreiding van Rome. De bezoekers van die begraafplaats hebben mogelijk vanaf de heuvel kunnen zien wat zich afspeelde in het Circus van Nero.

Naast deze wet (het verbod tot begraven binnen het pomerium) waren er ook andere wetten met betrekking tot het begraven. Zo was elke vorm van grafschending verboden en kon iedereen een lichaam van een ter dood veroordeelde opvragen om dat een fatsoenlijke begrafenis te geven (zoals dat ook aan Jozef van Arimatea werd toegestaan nadat Christus aan het kruis was gestorven).

 

3. Graf van Petrus

Nadat Petrus omstreeks 64 na Chr. was gekruisigd in het Circus van Nero, zou hij in de buurt daarvan zijn begraven op de bestaande Romeinse begraafplaats langs Via Cornelia. In die tijd was het gebruikelijk dat de lichamen vlak bij de plaats van executie werden begraven, vaak in een massagraf.

Ondanks de uitbreiding van de begraafplaatsen over het totale gebied van het Vaticaan bleef de locatie van het Petrus’ graf bekend bij de eerste christenen: het werd als een pelgrimsbestemming bezocht. De bij opgravingen gevonden munten, onder andere uit de 2de eeuw, bewijzen dit.

Ook in de antieke literatuur is een verwijzing naar het (mogelijke) graf van Petrus bewaard gebleven. De kerkvader Eusebius van Caesarea (275[?]-339) beschrijft in zijn boek Kerkgeschiedenis dat een zekere Gaius – schrijver ten tijde van paus Zephyrinus (119-217) – meldt dat hij (=Gaius) de overwinningstekenen van de apostelen kan laten zien.

<< “Als je naar het Vaticaan gaat, of naar de Via Ostiensis, zul je de overwinningstekenen aantreffen van de mannen die het fundament voor deze kerkelijke gemeente gelegd hebben.” >>

(Eusebius van Caesarea: Kerkgeschiedenis; vertaling van Fahner)

De Vaticaanse begraafplaats was in de eerste eeuwen van onze jaartelling uitgegroeid tot een soort van dodenstad, te vergelijken met de uitgegraven Romeinse begraafplaats Necropoli di Porto (Isola Sacra) bij Fiumicino. Voor een meer eigentijdse vergelijking met een dodenstad kan de huidige begraafplaats van Rome: Campo Verano dienen.

Kanttekening: Necropoli di Porto (Isola Sacra)

Deze Romeinse begraafplaats, gelegen tussen Ostia en Fiumicino, is uitgegraven en geeft een goed beeld van een dodenstad uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. De verschillende grafhuizen zijn goed bewaard gebleven en nauwelijks beschadigd. Zo moet de begraafplaats ten Vaticane er ook hebben uitgezien. Voor reconstructie en vergelijkend onderzoek vullen de Vaticaanse necropool en de Isola Sacra elkaar aan.

Deze begraafplaats, gelegen aan de Via Pal Piccolo in Fiumicino, kan tijdens de daguren worden bezocht en is bereikbaar met openbaar vervoer. (Bus COTRAL richting Aeroporto Fiumicino vanaf station Lido di Ostia; uitstappen bij de Via Valderoa)

Kanttekening: Campo Verano

De gemeentelijke begraafplaats in Rome Campo Verano is een opvallende begraafplaats; het aanleggen was een product van de Napoleontische overheersing. Allerlei vormen van begraven zijn daar te zien: het lijkt wel een soort madurodam. De Italianen en de Romeinen in het bijzonder leggen hun doden neer in min of meer dezelfde huizen als waarin ze hebben gewoond – zo lijkt het althans. Op deze gigantisch grote dodenakker bevinden zich grafhuizen, grafhuisjes, begraafhokjes, grafflats met drie, vier of vijf verdiepingen, kastenwanden van circa tien begraafnissen boven elkaar en graven in de grond.

Ook is hier het Grafmonument voor de soldaten van de paus, de Zoeaven, die gesneuveld zijn bij de Slag van Mentana (1867), waaronder veel Nederlanders.

Deze begraafplaats kan tijdens de daguren worden bezocht en ligt naast de San Lorenzo fuori le mura. Tramlijn 19 stopt voor de poort.

afb02 model gedenkteken

 Afbeelding 02: Model gedenkteken

Eén van de vele gedenktekens op deze uitgestrekte begraafplaats stond op een plaatsje (van 4 bij 7 meter), dat was belegd met een groen-wit mozaïek. Langs de noordzijde was een rood-gepleisterde muur opgetrokken, waartegen zich het, door Gaius geduide monumentje bevond. Het bestond uit twee, in de muur gemaakte nissen, waartegen een aedicula was gemetseld; eronder was een uitgraving in de grond, die doorliep onder de rode muur. Dit monumentje is volgens het Liber Pontificalis (Boek der Pausen) geplaatst ten tijde van paus Anacletus (79-89).

Kanttekening: Liber Pontificalis

Het Liber Pontificalis is een verzameling van biografieën van de eerste pausen tot einde 9de eeuw en is geschreven in de 6de eeuw. Hoewel de informatie (met name over de eerste pausen) niet altijd even betrouwbaar is, zijn de meeste feiten via andere bronnen bevestigd geworden.

Het boek bevat zaken als levensbeschrijving, bouwactiviteiten, uitspraken, en dergelijke.

Dat dit een gedenkteken van een gewichtig persoon moest zijn, blijkt zonder meer al uit de hoeveelheid graffiti én uit de dichte groepering van andere graven (ad sanctos) in de bodem nabij dit monument.

Kanttekening: Begraven ad sanctos

Het is een bekend gegeven dat de eerste christenen zo dicht mogelijk wilden worden begraven bij het graf van een belangrijk persoon, bijvoorbeeld een martelaar. In de vakliteratuur wordt dit aangeduid als ‘begraven ad sanctos’. Daarom bevinden zich bijvoorbeeld in de catacomben zo veel graven in de buurt van een aldaar begraven martelaar. De eerste christenen hoopten daarmee nadrukkelijk de voorspraak van de betrokken martelaar te verkrijgen bij de wederopstanding. Hoe belangrijker de persoon in kwestie, hoe beter het was voor de eigen eindbestemming.

De eerste christenen waren zich sterk bewust van het einde der tijden. “Na de dood zou de ziel in een tijdelijke ‘slaap’ geraken”, zo dacht men in die tijd. “Op de jongste dag komen de engelen met hun tuba’s de doden opwekken. Om te voorkomen dat je over het hoofd wordt gezien, moet je ervoor zorgen dat je wordt begraven in de buurt van iemand die beslist niet wordt vergeten.” Begraven nabij het graf van Petrus en later in de kerk van Sint-Pieter was derhalve de beste ‘hiernamaalsverzekering’ die in die tijd kon worden afgesloten.

Zelfs keizer Honorius (395-423) liet naast de Sint-Pieter een mausoleum bouwen voor zijn familie.

Ook de pelgrims uit de Middeleeuwen koesterden zulke wensen. De diverse scholae [uitleg hieronder] in de buurt van de Sint-Pieter hadden allemaal hun eigen begraafplaats. Het huidige Campo Santo Teutonico, de begraafplaats voor Nederlanders, Vlamingen en Duitsers, gelegen naast de huidige Sint-Pieter, is een blijvende herinnering aan dit gebruik.

Opgravingen (tussen 1940-1949 en 1953-1958) hebben – onder andere op grond van de stempels in de stenen – aangetoond dat het gedenkteken is opgericht omstreeks 160 na Chr. en dat de graven rondom dateren uit de 2de en 3de eeuw. Deze opgravingen zijn te bezichtigen via een separate toegangsregeling en dient ruim van te voren te worden aangevraagd.

 

4. Basilica Constantiniana

Nadat keizer Constantijn in 312 het Edict van Milaan had afgekondigd, waarbij de vrijheid van godsdienst werd toegestaan, liet hij verschillende kerken bouwen in Rome. Vóór 312 hielden de christenen hun bijeenkomsten in woonhuizen (vakterm: titulus, mv. tituli) van belangrijke personages die zich tot het Christendom hadden bekeerd.

Kanttekening: Tituli

Een aantal van deze tituli is bewaard gebleven, weliswaar niet in de oorspronkelijke vorm. De woonhuizen werden in latere eeuwen uitgebreid, verbouwd of omgebouwd tot kerken. Vaak ook werden – na allerlei rampen – op de fundamenten ervan nieuwe kerken neergezet. In Rome zijn nog diverse voorbeelden te vinden onder de huidige kerken: bijvoorbeeld San Clemente, San Martino ai Monti, Santa Pudenziana, Santi Giovanni e Paolo, Santa Prisca.

Constantijn heeft de Vaticaanse kerk gesticht niet alleen als uiting voor de verering van de apostel Petrus, maar ook uit dankbaarheid aan Christus voor de overwinning op zijn mede-keizer Licinius in 324. Op de triomfboog in de oude Sint-Pieter stond (onder andere) (in het Latijn) “… heeft Constantijn, de overwinnaar, U deze pronkzaal gesticht.”

Kanttekening: Stichtingen van Constantijn in Rome

Het Liber Pontificalis noemt zeven stichtingen van Constantijn in Rome, allemaal buiten de muren (It. fuori le mura; Lat. extra muros). Boven de begraafplaatsen van de apostel Petrus en Paulus verrezen gedachteniskerken en op het terrein van een voormalige tegenstander van Constantijn (de familie van de Laterani) werden de verblijven voor de bisschop van Rome en de hoofdkerk van Rome neergezet: de Basilica Salvatoris, nu de San Giovanni in Laterano. De andere kerken waren de Santa Croce, Sant’ Agnese fuori le mura, San Lorenzo fuori le mura en Santi Marcellino e Petri.
Het bouwen aan de buitenkant van de stad en op keizerlijke grond getuigt van het tactisch inzicht van Constantijn. Om de aanhangers van de oude staatsgodsdienst, met name de senatoriale families, niet te veel voor het hoofd te stoten, werden de eerste christelijke gebouwen aan de rand van het toenmalige Rome neergezet en niet in het toenmalig bestuurlijk en godsdienstig centrum. Deze families waren voor het merendeels heidens gebleven en waren overheersend in het stadsbestuur. Ook vielen de bezittingen van de keizer buiten de jurisdictie van het stadbestuur. Uit het feit dat pas tijdens het pontificaat van paus Damasus (in 384) het heidense Altaar van de Overwinning en het standbeeld van de godin uit de Curia (het Senaatsgebouw op het Forum Romanum) werd verwijderd, respectievelijk geherinterpreteerd als een engel, blijkt wel hoe gevoelig deze kwestie lag.

Overigens werden de bezoekers van Rome wel direct bij het betreden van de stad geconfronteerd met de grootse gebouwen van het Christendom, uit psychologische overwegingen een meesterzet van Constantijn.

Keizer Constantijn heeft omstreeks 324 opdracht gegeven tot de bouw van de gedachteniskerk voor Petrus. Dat was geen eenvoudige klus. De ingenieurs van Constantijn liepen tegen twee problemen aan: de onaantastbaarheid van een bestaande Romeinse begraafplaats én de locatie van het graf van Petrus tegen de Vaticaanse heuvel op. De keizer en zijn adviseurs moeten er dus van overtuigd zijn geweest dat zich op deze plek het graf van Petrus moet hebben bevonden; de hiermee gepaard gaande technische en juridische problemen was Constantijn bereid te overwinnen.

Omdat de keizer ook de functie van pontifex maximus (opperpriester) vervulde, kon hij rechtens een officieel besluit nemen om de begraafplaats te sluiten.

Kanttekening: Onaantastbaarheid van graven

Begraafplaatsen en graven werden door de Romeinse wetten beschermd. De Romeinse overheid was op de hoogte van de exacte locatie van alle begraafplaatsen en dus ook van de catacomben.

In dit verband zij opgemerkt dat het een hardnekkige mythe is dat de christenen van Rome tijdens de christenvervolgingen van de eerste drie eeuwen de catacomben als schuilplaats gebruikten. Het achtervolgen van de eerste christenen tot in de catacomben was in principe in strijd met de Romeinse wetten.

Dit sluit geenszins uit dat er invallen in de catacomben hebben plaatsgevonden. Zo is bijvoorbeeld paus Sixtus II (257-258) op 6 augustus 258 gearresteerd tijdens een viering op het privé- (en als veilig veronderstelde) kerkhof van Praetextatus. Om vergeldingsmaatregelen te voorkomen gaf hij zichzelf over en werd hij samen met vier van zijn diakens op staande voet onthoofd; twee andere diakens werden later op die dag terechtgesteld en de zevende diaken, Laurentius, werd vier dagen later ter dood gebracht.

Ook is het bijna ondenkbaar dat een langdurig verblijf ondergronds mogelijk was; in ieder geval waren er daarvoor geen voorzieningen.

De bouwers hebben zich in de voorbereidingsfase enorme inspanningen moeten getroosten. In dit heuvelachtige gebied moest kunstmatig een bouwplaats worden gerealiseerd. Anders gezegd: om een horizontaal vlak te creëren op hetzelfde niveau als het plaatsje vóór het gedenkteken diende het terrein te worden geëgaliseerd in de omgeving van en in de richting van het gedenkteken van Petrus. Het bouwterrein werd naar het noorden toe afgegraven (het deel, dus, waar de Vaticaanse heuvel omhoog liep). Naar het zuiden toe werden de grafhuizen van hun daken ontdaan, gedeeltelijk gesloopt dan wel volgestort. Ook werd er een soort van damwand gemaakt om het verval van de heuvel te ondervangen en om het gebouw aan de zuidzijde te ondersteunen.

Afb3 Vaticaanse heuvel met afgraving

 

Afbeelding 03: Schets Vaticaanse heuvel met afgraving

Op dit aldus verkregen plateau werd de eerste Sint-Pieter gebouwd en wel zodanig dat het oude Petrus’ monumentje in de centrale as van het gebouw vóór de absis kwam te liggen; hierdoor bleef het graf van Petrus vanuit de kerk bereikbaar. Het eenvoudige monumentje werd door Constantijn omgeven door een ‘rechtopstaande doos’ van marmer die werd overhuifd door een baldakijn op zuilen.

Er is sprake geweest van een relatief korte bouwtijd. Dat was mogelijk omdat de constructie ─ afgezien van de fundering ─ weinig gecompliceerd was: muren van baksteen en beton en een houten kap. Gewelven werden niet toegepast en architectonisch beeldhouwwerk was overbodig omdat voor architraven en zuilen spolia werden aangewend.

Constantijn wilde klaarblijkelijk een schrijn op monumentale basis voor het graf van de apostel met alle pracht en praal die kenmerkend was voor die tijd; daarbij kon rijkelijk worden geput uit de rijksvoorraden. De aandacht van de pelgrims moest hoe dan ook worden gevestigd op het graf van de apostel.

Kanttekening: Spolia - I

Spolia is een vakterm voor het gebruik van bouwmaterialen, die oorspronkelijk in andere gebouwen waren aangewend. Vele gebouwen en kerken in Rome hebben spolia. Het gaat hierbij niet alleen om zuilen of architraven, maar ook om stenen en steenblokken. Veel kerken in Rome bezitten zuilen, die afkomstig zijn uit Romeinse gebouwen. Verschillende paleizen (o.a. het Palazzo Farnese) en kerken (o.a. de nieuwe Sint-Pieter) zijn gebouwd met de stenen van het Colosseum.

De Romeinse bouwwerken (vooral die op het Forum Romanum, maar ook elders in de toenmalige stad) fungeerden als het ware als een steengroeve. Het gehele Middeleeuwse Rome is gebouwd met klassieke steenblokken, zuilen, architraven en dergelijke. Alles waarmee werd gebouwd, was in feite hergebruikt materiaal.

Overal in het zogenaamde Centro Storico in Rome staan allerlei panden waarin spolia als deur- of raamkozijn zijn verwerkt. Een aardig voorbeeld daarvan is de Casa Bonadies, gelegen op de hoek van Piazza Ponte S’ Angelo en de Via di Banco di San Spiritu, waarvan de toegang aan de zijstraat wordt gesteund door zuilen en een architraafbalk.

Kanttekening: Spolia - II

Zelfs de oude Romeinen werkten met spolia: de Boog van Constantijn is samengesteld uit delen van oudere, vervallen of afgebroken monumenten.

De Romeinen bewaarden zaken als zuilen, architraafbalken, friezen van in verval geraakte of afgebroken gebouwen. Zij voegden deze toe aan de voorraden nieuw materiaal waarvan het beheer lag bij de staat; dus kon de keizer daarover beschikken.

De Romeinse Staat hield in depots (in Ostia) voorraden aan met zuilen van allerlei lengte, diameter en steensoort. Door import werd deze voorraad op peil gehouden. Deze voorraden waren zo groot dat ten tijde van Renaissance deze nog aanwezig waren; zo is uit archiefstukken gebleken dat een van de bouwmeesters van de nieuwe Sint-Pieter met pauselijke toestemming zuilen kon betrekken uit Ostia.

Kanttekening: Spolia - III

Hoewel – met de ogen van nu – het her-gebruik van spolia zou zijn aan te duiden als zuinigheid, moet toch eerder worden gedacht aan het (wederom) pronken met kostbare steensoorten en met hoogstaande producten als teken van rijkdom en grandeur. Een Romein (een echte, maar ook de Romein van de Middeleeuwen en van de Renaissance) wil aan een ander laten zien wat hij bezit.

Ook een ander facet van het gebruik van spolia kan niet worden veronachtzaamd: met behulp van spolia wordt de betekenis van het oude gebouw overgenomen in de nieuwe context. Hierdoor wordt de geschiedenis en de inhoud ervan door-gegeven. Een voorbeeld hiervan zijn de zuilen van de oude Sint-Pieter en de gedraaide zuilen van het altaar ervan ; deze zijn alle verwerkt in de nieuwe Sint-Pieter ter zijde van de zijaltaren respectievelijk in de relieken in de koepelkolommen. De traditie wordt als het ware voortgezet: het nieuwe vindt zijn wortels in het oude.

Op deze wijze maakt het verleden in Rome al eeuwen lang deel uit van het heden.

afb04 oude sint pieter

Afbeelding 04: Schets ‘oude’ Sint Pieter [ca. 400-600 na Chr.]

De oude Sint-Pieter, een klassieke, vijfschepige basiliek in de vorm van een Latijns kruis werd in de loop van eeuwen veelvuldig gerestaureerd en schitterend gedecoreerd. Het gebouw was aanvankelijk een gedachtenisruimte ter ere van Petrus: een grafkerk.

Kanttekening: Sint-Pieter - Grafkerk

De Sint-Pieter was gebouwd als grafkerk (voor Romeinse begrippen een mausoleum); een ruimte die – in eerste instantie – niet bedoeld was voor liturgische vieringen.

De christenen hadden het gebruik van de heidenen overgenomen om in of nabij het graf van een overledene ter nagedachtenis aan de dode op de sterfdag een dodenmaaltijd en gebedssamenkomst te houden. Ook in de catacomben bevonden zich voor dit doel speciale ruimtes. Men at dan met de dode en voor de overledene werd – door middel van een lege zetel – letterlijk een plek aan tafel ingeruimd. Omdat deze maaltijden in drinkgelagen ontaardden, werden ze door de Kerk verboden. Ook de Cathedra Petri (de bronzen stoel in de absis van in de nieuwe Sint-Pieter) duidt op dit gebruik.

Volgens pelgrimsverhalen zou zulks ook zijn geschied in de Sint-Pieter. Ook de Kerkvader Augustinus maakt hiervan melding.

Verschillende pausen hebben de opstelling om en nabij het graf van Petrus gewijzigd. Zoals gezegd bevond zich vóór de absis het schrijn boven het graf van Petrus. Deze was aan de buitenzijde voorzien van marmeren sierstukken met er boven een baldakijn, die werd gedragen door vier spiraalvormige zuilen: hieraan was een pergola ondersteund door identieke zuilen toegevoegd.

Tijdens het pontificaat van paus Gregorius de Grote (590-604) werd de vloer van de absis verhoogd. Onder die vloer werd, langs de binnenzijde van de absis, een gang in de vorm van een halve cirkel aangelegd, waarlangs de toegang tot het graf mogelijk bleef. Feitelijk ontstond hierdoor een verhoogd priesterkoor met crypte.

Boven het schrijn werd een tafel opgesteld, waaraan de Heilige Mis kon worden gecelebreerd, waardoor de altaar-situatie werd gecreëerd. Deze situatie bleef min of meer ongewijzigd tot de afbraak van de ‘oude’ Sint-Pieter.

Kanttekening: Cappella Clementina

De omstreeks 600 aangelegde rondgang bestaat nog steeds en wordt nu aangeduid als de rondgang om de Cappella Clementina in de Grotte Vaticane, de ruimte onder de kerk, waarin zich ook onder andere het graf van paus Johannes-Paulus II bevindt.


5. Scholae

De bouw van de oude Sint-Pieter betekende onder andere een krachtige impuls voor de (stedenbouwkundige) ontwikkeling van het Vaticaanse gebied, mede vanwege de toename van de pelgrimage. De bezoekers betraden het gebied via de Pons Aelius (de huidige brug Ponte Sant’ Angelo), in die tijd nog steeds de enige brug over de Tiber in deze omgeving. Vervolgens liepen ze bezoekers door de Porticus Sancti Petri, een overdekte wandelgang (de oude Via Cornelia) naar het voorplein van de Sint-Pieter.
De stroom van pelgrims uit het noorden van Europa, juist na hun overgang van de noordelingen tot het Christendom, deed ook de behoefte ontstaan aan landgebonden, aan nationale opvang. Rondom de Sint-Pieter en tussen de kerk en de Tiber ontstonden apartjes wijkjes, die worden aangeduid met de vakterm schola, mv. scholae.

Kanttekening: Opvang voor pelgrims en overige bezoekers

Naast de scholae waren er vanaf de vroege Middeleeuwen in Rome nog twee mogelijkheden om te verblijven. Daar was de gewone manier: een herberg. Maar ook de Kerk zorgde voor opvang in gasthuizen en hospitalen; deze staan bekend onder de naam xenodochia.

Lang voordat de scholae zich ten Vaticane ontwikkelden waren er in Rome al scholae: bijvoorbeeld van de Grieken in de omgeving van de Santa Maria in Cosmedin (Schola Graecorum) en van de Joden in wat nu Trastevere wordt genoemd (Schola Iudeorum).

De scholae waren plaatsen waar de pelgrims in de Middeleeuwen werden opgevangen en verzorgd. De buitenlanders zochten elkaar op, kropen bij elkaar en konden zo weer een gesprek in de eigen taal voeren. Er ontstonden kleine kampjes, die min of meer het karakter van een vesting hadden. Nog steeds worden de straten in deze wijk aangeduid met het Italiaanse Borgo. Borgo stamt af van het laat-Latijnse woord burgus hetgeen burcht of kasteel betekent. Een schola bevatte allerlei voorzieningen voor een langdurig verblijf: een ziekenhuis, slaapverblijven, een waterpunt, een kerk met kerkhof; ook had de schola de beschikking over een eigen beveiligingdetachement.

De pelgrims trokken in die tijd te voet door Europa; alleen gefortuneerden reisden te paard of werden vervoerd in een wagen. De wegen waren matig begaanbaar en nauwelijks geplaveid. Ook was de reis niet van gevaren ontbloot: roverbendes, misdadigers, bedelaars, zwervers, (muitende) huurlingen, enz. Kortom, de pelgrims vonden zo een veilig onderkomen in den vreemde na hun lange en soms barre voettocht van drie à vier maanden vanuit het hoge noorden.

Voor pelgrims die niet haar huis terugkeerden, maar kozen voor een langdurig of permanent verblijf in Rome, was de schola dé oplossing. Zij gingen bijvoorbeeld diensten verrichten in het ziekenverblijf of bij de beveiliging.

In de loop van de tijd groeiden deze plekken uit tot vaste nederzettingen in de buurt van de Sint-Pieter, net zoals onze ‘jaren-vijftig campings’ nu – via campings met allerlei vaste voorzieningen – geworden zijn tot vakantieparken (met permanente bewoning).

Op de Vaticaanse heuvel werden zelfs in de loop van de tijd dependances ingericht, waar mensen zich blijvend hebben gevestigd en een bestaan als boer hebben opgebouwd; op deze wijze leverden zij een bijdrage aan de bevoorrading van de scholae.

Naast de Franken (Schola Francorum), de Saksen (Schola Saxorum) en de Longobarden (Schola Longobardorum) hadden ook de Friezen (Schola Frisorum) rond het jaar 800 hun eigen schola. De Schola Frisorum was gelegen rondom de huidige kerk van Santi Michèle e Magno: de Kerk van de Friezen. Deze kerk is gelegen nabij de linkercolonnade van het Sint-Pietersplein.

Kanttekening: De Friezen
De benaming Friezen slaat op de bewoners van de kuststreek van Denemarken tot Duinkerken en is later gaan gelden voor alle bewoners van de Lage Landen.

In 845 bedreigden de Saracenen Rome. Mannen uit de verschillende Scholae worden ingezet bij de gevechten; ze worden verslagen en vermoord. Vervolgens gaan de Saracenen over tot het plunderen van de buiten de Aureliaanse muren gelegen kerken. In de basilieken van Sint-Pieter en Sint Paulus maakten ze ongeveer 3.000 kg goud en 30.000 kg zilver buit; mogelijk werden ook de graven van Petrus en Paulus geschonden.

Om herhaling te voorkomen werd bij de kerken van Paulus buiten de muren en Laurentius buiten de muren een fort gebouwd en werd – tijdens het pontificaat van paus Leo IV (847-855) – het Vaticaanse gebied omringd door een muur welke grotendeels nog bestaat. Hierdoor ontstond de Civitas Leonina of Città Leonina (Leo-Stad), een vernoeming naar de bouwer van de muur. Het bouwen van de muur werd gefinancierd door het innen van belasting bij de landen, waaraan de scholae waren gelieerd.

Afb05 Civitas Leonina

 Afbeelding 05: Civitas Leonina of te wel Leo-Stad [ca. 800]

Kanttekening: Vaticaanse Muren

  • In de 9de eeuw heeft paus Leo IV een muur gebouwd bijna direct om de bestaande bebouwing heen; deze muur is door opvolgende pausen versterkt en onder paus Nicolaas V in de 15de eeuw voorzien van torens.
    In de 16de eeuw is tijdens het pontificaat van de pausen Paulus III en Pius IV met name in het noorden en oosten een muur gebouwd die een groter deel van het Vaticaanse gebied besloeg. Dit is de muur, waarlangs de bezoeker van de Vaticaanse musea langzaam opschuift. In het zuiden is de muur een marginale uitbreiding van de muur van paus Leo.
    Door paus Urbanus VIII is in de 17de eeuw de muur verder uitgebreid naar het zuiden en in Trastevere aangesloten op de bestaande muur van Aurelianus. Een deel van deze muur is te zien bij het monument van Garibaldi op de Janiculus-heuvel.
  •  

    Ondanks de Vaticaanse muur bleven de scholae belaagd worden onder andere vanwege de strijd tussen de pausen en de keizers. In 1083 werd Rome door troepen van de Duitse keizer Hendrik IV ingenomen, waarbij ze hun intrek namen in het gebied van de scholae. De door paus Gregorius VII te hulp geroepen Noormannen verjoegen de Duitse troepen, waarbij onder andere de Schola Frisorum werd verwoest.

    De kerk van de Friezen moest geheel opnieuw worden opgetrokken; dit is het gebouw dat er nu nog staat. Met de bouw ervan werd een begin gemaakt in 1139. Omdat de kerk tegen een helling werd aangebouwd, moest een terras worden aangelegd. Volgens de wijdingsinscriptie in de kerk werd de basiliek ingewijd in 1341 door paus Innocentius. Er werd wel een toren aan toegevoegd. Later in 1167 werd er door de troepen van Frederik I Barbarossa wederom verwoestingen aangericht in het gebied van het Vaticaan.

    Sinds de scholae binnen de Città Leonina lagen probeerden de pausen successievelijk meer grip te krijgen op de scholae. De scholae werden steeds meer gedwongen om hun inkomsten, die gedeeltelijk afkomstig waren uit het moederland, af te staan. Ook gingen de eigendomsrechten van de verschillende tot een schola behorende gebouwen – voor zover deze nog overeind stonden – successievelijk over naar de Sint-Pieter. Vanaf 1058 ressorteerde de kerk van de Schola Frisorum onder het Kapittel van het Vaticaan, hetgeen volgens historici een duidelijke verwijzing is naar een verminderde belangstelling van pelgrims.

    Gegevens over de kerk zijn fragmentarisch. Een document uit 1192 wijst de Schola Frisorum op haar plicht om belasting af te dragen aan de Vaticaanse eigenaars. Een ander document geeft aan dat ten tijde van het pontificaat van paus Urbanus V (1362-1370) nog een priester verbonden was aan de kerk. Paus Eugenius IV schrijft in 1446, dat de Friezenkerk een ruïne is geworden, waarin reeds lang geen kerkdiensten meer zijn gehouden. Uit dit gegeven kan min of meer worden geconcludeerd dat de Schola Frisorum werd opgeheven.

    Vervolgens wordt de kerk gerestaureerd en blijft in gebruik binnen het kader van het Vaticaan. Zelfs in het Verdrag van Lateranen (1929) wordt de kerk genoemd als één van de exterritoriale gebieden, die bij het Vaticaan komen.

    Maar in algemene zin kan worden gesteld dat de scholae geleidelijk in betekenis afnemen, mede toen de pausen in de 14de eeuw Rome verruilden voor het Franse Avignon. Terwijl de gebouwen van de andere scholae verdwenen, bleef echter de Kerk van de Friezen bestaan en in functie.

    De huidige kerk Santi Michèle e Magno (Kerk van de Friezen) is sinds 1989 terug in gebruik bij de Nederlanders.

    In de periode van de achteruitgang van de Schola Frisorum ontstaan er ook nieuwe initiatieven om landgenoten-pelgrims te ondersteunen tijdens het verblijf in Rome. In de tweede helft van de 14de eeuw kocht een echtpaar uit Dordrecht, Jan Peters en zijn vrouw Katrijn, drie huizen in het middeleeuwse Rome als een opvanglocatie voor pelgrims uit de Lage Landen. Het eerste huis was het onderkomen voor mannen, het tweede voor vrouwen, het derde deed dienst als kapel. Deze Jan Peters was ofwel pauselijk soldaat ofwel een koopman in de buurt van de Sint-Pieter. Uit onderzoek is gebleken dat velen uit de Lage Landen hiervan hebben gebruik gemaakt. De gebouwen stonden op de plaats waar later de Santa Maria dell’ Anima is gebouwd.

    Je zou kunnen zeggen dat de functie van de schola wordt overgenomen door de gemeenschap die de Santa Maria dell’ Anima beheerde.

    Kanttekening: Santa Maria dell’ Anima

    Deze kerk, nu de Duitse Nationale kerk, heeft nog steeds banden met de lage landen. De Nederlandse Paus Adrianus II (1528-1529) heeft hier zijn grafmonument.

    Op aandringen van keizer Franz Joseph van Oostenrijk werd in 1859 hier een priestercollege gesticht, waarin één plaats is gereserveerd voor een Nederlands priester. Op dit moment wordt deze plaats ingenomen door dr. Antoine Bodar. In 1924 heeft de latere kardinaal Alfrink hier verbleven in het kader van zijn studie.

    De huidige (Nederlandse) Kerk van de Friezen is nog het enige directe overblijfsel van die scholae en is daarom opgenomen op de UNESCO-lijst van Werelderfgoederen.

    Campo Santo Teutonico
    afb06 campo santo teutonico

     Afbeelding 06: Campo Santo Teutonico

    Ook van een andere schola is ook nog iets over. Het is weliswaar geen directe voortzetting, maar toch ligt de begraafplaats Campo Santo Teutonico of Campo Santo dei Teutonici e dei Fiamminghi op dezelfde locatie als de begraafplaats van de Schola Francorum. Deze schola was specifiek bedoeld voor de Frankische pelgrims.

    In de 15de eeuw werd een Broederschap opgericht, dat alleen toegankelijk was voor inwoners van het Heilig Roomse Rijk, waartoe in die tijd ook de Nederlandse gewesten behoorden; tegenwoordig zijn – naast enkele Nederlanders en Belgen – met name Duitsers en Oostenrijkers lid. Het is dit broederschap dat hier in de 16de een kerk heeft gebouwd, waarvan deze begraafplaats deel uitmaakt.

    De Campo Santo Teutonico is te bereiken via de Arco delle Campana. De Zwitserse Garde verleent op vertoon van een legitimatiebewijs toegang aan pelgrims, die afkomstig zijn uit Nederland, België, Duitsland en Oostenrijk.

    afb07 graf schaepman

    Afbeelding 07: Graf van Schaepman
    Volgens de legende zou de heilige Helena, moeder van keizer Constantijn, op deze plek aarde van Calvarië hebben gestrooid: vandaar de naam Campo Santo, Heilige Akker.
    Er liggen hier ook enkele Nederlanders begraven onder wie mgr. dr. H.J.A.M. Schaepman (gestorven 1903) (de grote katholieke emancipator en oprichter van de R.K.-Staatspartij), mgr. Jan Olav Smit (gestorven in 1972) (onder andere auteur van (reis)boeken over Rome), dr. P.A. Kasteel (gestorven in 2003) (voormalig ambassadeur van Nederland bij de Heilige Stoel en vader van de nu nog in het Vaticaan werkzame mgr. K. Kasteel).
    De grafsteen voor Schaepman is vervaardigd door de Pier Pander.


    6. Basilica di San Pietro

    Hoewel in de loop der eeuwen allerlei bouwtechnische aanpassingen aan de ‘oude’ Sint Pieter werden aangebracht, geraakte de basiliek toch in verval, voornamelijk door vocht- en funderingsproblemen. Zo stonden onder andere de muren niet meer in het lood.

    Paus Nicolaas V (1447-1455), zelf een humanist, wilde van Rome de meest prestigieuze stad van de renaissance maken, “opdat het prachtige uitzicht van de stad het geloof der nederigen zal versterken” – zo zei hij eens. Het ging er bij Nicolaas om de suprematie van de bisschop van Rome als opvolger van Petrus te versterken en daarin paste een stadplan om het respect van de spirituele autoriteit te verhogen. Ook wilde deze paus van de Vaticaanse paleizen “de geweldigste koningwoning ter wereld” (volgens professor B.H. Molkenboer O.P.) maken.

    Het was daarom niet verwonderlijk dat deze paus aan Alberti in 1452 opdracht gaf tot een onderzoek. Leon Battista Alberti (1404-1472) was één van de belangrijkste figuren van de Italiaanse Renaissance. Zijn opdracht was ruim: een advies met betrekking tot de restauratie en architectonische ontwikkeling van Rome in het algemeen en de bouwkundige toestand van de ‘oude’ Sint-Pieter in het bijzonder. Hij stelde voor om de bestaande basiliek te versterken; dat was in overstemming met zijn principe: het behouden van historische gebouwen.

    Dat gebeurde in een tijd waarin de Renaissance in opkomst was. Bij de humanisten was er sprake van een spanning tussen enerzijds de aanvaarding van de christelijke traditie (vormgegeven in de oude kerkgebouwen) en anderzijds een afstand nemen van de uiterlijke vormentaal van die kerkgebouwen (niet restaureren, maar vernieuwen conform de klassieke architectuur zoals beschreven door Vitruvius (± 80-20 v.Chr.) in zijn standaardwerk De Architectura (Over de bouwkunst)).

    Omdat de uitvoering van de plannen van Alberti tot herstel van de kerk (gedoeld wordt op het weer in het lood zetten van de muren) niet tot resultaat leidde, gaf de paus vervolgens aan Bernardo Rossellino (een leerling van Alberti) opdracht om een ontwerp voor een nieuwe kerk te maken. Het gebouw zou mede gefinancierd worden met behulp van de gehele christenheid (door middel van aflaatpenningen waartegen Maarten Luther zich later zou keren). Overigens, uit archiefstukken is gebleken dat deze paus geen nieuwbouw wenste, maar een aanpassing van het oude complex aan de nieuwe architectonische inzichten van zijn tijd. Het plan van Rossellino was feitelijk een Latijns kruis en behelsde: de vervanging van het oude dwarsschip met absis door een veel grotere met een koepel op de kruising en een aanpassing van het schip en atrium: een ontwerp dat geleek op de toenmalige Sint-Pieter. Een plan in overeenstemming – dus – met de wens van de paus.

    Het werk, gestopt bij het overlijden van paus Nicolaas V in 1455, bleef beperkt tot de sloop van enkele gebouwen, die er toch al bouwkundig slecht aan toe waren en het begin van de bouw van de muren voor de nieuwe absis. Onder de volgende twee pausen (Callixtus III en Pius II) werden er aan de basiliek geen bouwactiviteiten verricht. Van paus Paulus II (1464-1471) kreeg Giuliano da Sangallo de Oudere de opdracht verder te gaan met de bouw, maar vooruitgang was er nauwelijks.

    Dat de meningen verdeeld waren over de toestand van de oude Sint-Pieter blijkt wel uit het feit dat paus Sixtus IV (1471-1848) een nieuwe uitbouw in de zuidelijke muur deed bouwen: de Cappella del Coro, waar na zijn dood zijn grafmonument werd geplaatst. Kennelijk viel het wel mee met de scheve buitenmuur.

    De opvolgers van Sixtus IV (Innocentius VIII, Alexander VI en Pius III) hebben geen initiatieven ontplooid met betrekking tot bouwactiviteiten aan de kerk, anders dan voor onderhoud in verband met het Heilig Jaar van 1500.

    Het was paus Iulius II (1503-1513) die de bouwplannen een nieuw leven inblies. Ook hij wilde de grandeur van Rome vergroten. Hij wijst Donato Bramante aan en laat een nieuw ontwerp opstellen: een soort plein, bekroond door een koepel gedragen door vier immense pijlers met vier armen. De koepel zou daarmee een imposant luifel worden voor het graf van Petrus. In vaktermen wordt dit model aangeduid als centraalbouw in de vorm van een Grieks kruis. Het ontwerp was kenmerkend voor de Renaissance: een centraalbouw voldeed in zijn regelmaat aan de idealen ervan, hetgeen inhield een voorkeur voor harmonie en evenwicht én leek erg veel op het antieke mausoleum, hetgeen appelleerde aan de gevoelens voor de Oudheid.

    Achteraf kan de vraag worden gesteld of dit plan wel goed is uitgewerkt en of het in deze vorm uitvoerbaar was. Het voldeed in ieder geval wel aan de ideeën van Iulius, want deze wilde zijn eigen grafmonument, waartoe hij Michelangelo de opdracht had verstrekt, in de nieuwe kerk plaatsen. Van dit grafmonument is slecht een deel tot uitvoering gekomen en dat deel bevindt zich nu de San Pietro in Vincoli.

    afb08 schets plan bramanteAfbeelding 08: Schets Plan van Bramante

    Op 17 april 1506 wordt door paus Iulius II de eerste steen gelegd bij de fundamenten van de steunpilaar, waarin later de Veronica-relikwie zou worden ondergebracht.

    Kanttekening: Relikwie-pijlers

    Naast het graf van Petrus bewaart de kerk nog drie belangrijke relikwieën in de kapellen in de koepelpijlers. Boven het beeld van Veronica wordt een stuk van de zweetdoek bewaard, boven het beeld van de Helena delen van het Heilig Kruis en boven het beeld van Longinus een stuk van de lans, waarmee de zijde van Christus werd doorboord.

    Boven het beeld van Andreas werd de schedel van de apostel Andreas bewaard, maar deze is door paus Paulus VI in 1964 teruggeschonken aan de Grieks-orthodoxe kerk.

    Bramante ging zeer voortvarend aan de slag. Hij sloopte drastisch het dwarsschip, de kapellen van de oude basiliek en de fundamenten van de nieuwe absis, waaraan Rossellino ooit was begonnen. Van het westelijk deel van de kerk bleef alleen staan het middenschip, de absis en de Constantijnse monument met de Memoria Petri ter bescherming waarvan een huis omheen werd gebouwd: het zogenaamde Tegurium. Gezegd moet worden dat er veel waardevolle kunstwerken door het slopen van Bramante zijn verloren gegaan; dat is vreemd want er was een decreet van paus Pius II uit 1462 waarin afbraak en beschadiging van antieke gebouwen verboden was. Het leverde Bramante de bijnaam: Master Ruinante op. Bij de dood van Bramante in 1514 waren gereed de vier steunpijlers en de vier steungewelven voor het dragen van de koepel en de eerste aanzet van de zuidelijke dwarsbeuk.

    Paus Leo X (1513-1521) wees vervolgens een team van drie bouwmeesters aan onder leiding van Raphael om door te gaan met de bouw. Raphael werd ter zijde gestaan door Fra Giocondo, die overleed in 1515 en door Giuliano da Sangallo, die om gezondheidsredenen bedankte in 1515. Raphael zelf overleed in 1520. Het ontwerp van Bramante werd door hen aangepast door de oostelijke tak te verlengen, waardoor de basiliek een Latijns kruis zou zijn geworden. Deze wijziging kwam tot stand onder druk van de Curie die enerzijds het ontwerp te veel vond lijken op heidense voorbeelden en anderzijds was er te weinig ruimte voor de uitoefening van de liturgie. De voorstellen zijn niet verder gekomen dan tot het papier en hun activiteiten hebben niet geleid tot enige voortgang in de bouw.

    Paus Leo X stelt dan Antonio da Sangallo de Jonge aan met als assistent Baldassare Peruzzi. Zij grepen weer terug op het plan van Bramante, het Griekse kruis dus. Feitelijk vonden er geen bouwactiviteiten plaats vanwege de politieke problemen en het gebrek aan financiële middelen. Omdat Bramante bouwmaterialen van een slechte kwaliteit had gebruikt, moest tijd en geld worden besteed aan versterkingen en consolidatie van de pijlers. Deze onderbreking duurde voort tijdens het pontificaat van paus Adrianus VI (1522-1523) en Clemens VII (1523-1534), die in 1527 de Sacco di Roma moest ondergaan.

    Kanttekening: Sacco di Roma

    Sacco di Roma staat voor Plundering van Rome tussen 6 en 14 mei 1527. Keizer Karel V beschouwde Italië als de kern van het Heilige Roomse Rijk; de paus daarentegen wilde niet onder keizerlijke voogdij staan. De troepen van de paus waren niet opgewassen tegen de leger van Karel, dat voornamelijk bestond uit aanhangers van Maarten Luther.

    Op 5 mei 1527 stond het leger voor de poorten van Rome: de Duitse en Spaanse soldaten hadden maanden geen soldij ontvangen. Ze waren op buit belust en de lutheranen hadden zo hun eigen beweegredenen; ze drongen de volgende dag de stad binnen. Paus Clemens VII vluchtte naar de Engelenburcht.

    De soldaten hielden vreselijk huis. Er volgde een plundering die zijn weerga niet kende en duurde tot 14 mei. De door de eeuwen heen vergaarde kostbaarheden, die zich in de Romeinse paleizen en kerken bevonden, werden geroofd of vernield. Ook de inwoners van Rome waren het slachtoffer: ze werden verkracht en van het leven beroofd.

    De in aanbouw zijnde Sint-Pieter werd beschouwd als behorende tot een van de vele Romeinse bouwvallen, zoals blijkt uit het werk van Jan van Scorel en Maerten van Heemskerck.

    De nieuwe paus, Paulus III (1534-1549), handhaaft Sangallo en Peruzzi en geeft opdracht tot het opstellen van een nieuw plan. Sangallo ging uit van het ontwerp van Bramante voor wat betreft de centraal bouw, maar aan de voorzijde kwam een uitbreiding met een enorme portiek, geflankeerd door twee campaniles, en op de achtergrond een façade met de Loggia delle Benedizioni. Van dit ontwerp is een houten model van circa 7 bij 6m en 4,5m hoog gemaakt en bewaard gebleven. Tot uitvoering van dit plan is het niet gekomen. De architecten gingen verder met consolidatie van de pijlers en het ophogen van de vloer van de nieuwe basiliek met 3.20m; hierdoor zou deze ruimte tussen de oude vloer van de basiliek van Constantijn en het nieuwe de kern van de Vaticaanse grotten worden en gaan dienen als opslag voor alles van waarde uit de oude basiliek.

    In 1538 geeft de paus opdracht tot het plaatsen van een scheidingsmuur tussen de nieuwe absis en – ongeveer halverwege – het oude schip; deze enorme wand moest de gelovigen beschermen tegen stof en geluidshinder tijdens de vieringen.

    Peruzzi overleed in 1536 en Sangallo in 1546, waarna de paus op zoek moest naar een nieuwe hoofd-architect. Hij wilde Michelangelo aanwijzen, maar deze weigerde in eerste instantie tot de paus hem beval de opdracht aan te nemen.

    Michelangelo keerde terug naar het ontwerp van Bramante; hij handhaafde de plattegrond van het Griekse kruis, maar wijzigde de koepel en maakte de tamboer hoger. Ook heeft hij net zoals Sangallo een model van de koepel laten maken (5m x 4m x 2m), bang als hij was dat na zijn dood het ontwerp zou worden aangepast. Ook dit model is bewaard.

    Michelangelo heeft alles wat door Sangallo was gebouwd: de immense buitenmuren en de versterking van de vier grote pijlers, afgebroken. Bij zijn dood in 1564, waren drie armen met hun absissen gereed en de koepel kwam tot de trommel.

    Paus Pius IV (1560-1565) stelde Pirro Ligorio aan als opvolger, maar deze werd door de opvolgend paus Pius V (1566-1572) ontslagen, omdat hij het ontwerp van Michelangelo wilde wijzigen. Deze paus belaste Giacomo Barozzi da Vignola met de opdracht. Vignola plaatste volgens het plan van Michelangelo twee kleinere koepels, die naast de grote koepel slechts een esthetische functie vervullen zonder grote structurele consequenties binnen de basiliek. Ook deed hij aanvullend onderzoek naar de bouwkundige consequentie van het afbouwen van de koepel. Onder het pontificaat van paus Gregorius XIII (1572-1585) ging de bouw verder: eerst onder leiding van Vignola en na diens dood onder Giacomo della Porta vanaf 1574.

    Het was paus Sixtus V (1585-1590) die op 19 januari 1587 Della Porta de opdracht gaf om de bouw van de koepel te voltooien. Hij volgde in essentie het door Michelangelo achtergelaten model; oorspronkelijk bedacht met een ronde boog heeft hij de vorm veranderd in een meer slanke kromming om de verticaliteit te benadrukken. Door dag en nacht door te werken was de koepel voltooid op 14 mei 1590.

    Kanttekening: Obelisk op het latere Sint-Pietersplein

    Paus Sixtus V is ook degene die de opdracht tot het verplaatsen van de obelisk had verstrekt. In 1585 werd deze door Domenico Fontana verplaatst naar de voorkant van de oude Sint-Pieter, die toen nog niet was gesloopt. De obelisk, een getuige van het martelaarschap van de apostel Petrus kreeg op de top een ijzeren kruis met een relikwie van het Kruis van Christus als verheerlijking van de martelaren en de triomf van het pausdom.

    De verplaatsing van de obelisk (327.000 kg) vanaf de oorspronkelijke plaats – links van de Sint Pieter, binnen het afgesloten gedeelte van Vaticaanstad, is deze plek gemarkeerd met een tegel – naar de huidige was een hele krachttour, waarbij 507 mannen, 75 paarden en 40 lieren werden ingeschakeld. De uitvoerige voorzorgsmaatregelen behelsden onder andere een volledig stilzwijgen, op straffe des doods. Toen de touwen dreigden te knappen, zo gaat het verhaal, riep een zekere Bresca: “Water op de touwen!” Daarmee was de operatie gered. Toen Sixtus V dit verhaal te horen kreeg, werd Bresca in aller ijl van het schavot gehaald om rijkelijk beloond te worden.

    Het afbouwen ervan werd voltooid onder paus Clemens VIII (1592-1605) met als afsluiting de plaatsing van de grote bronzen bol op de top van de lantaarn op 8 november 1593.

    Deze paus, die Carlo Maderno aanwees als opvolger van de in 1602 overleden Della Porta, heeft de situatie van het altaar en de Memoria Petri onder handen doen nemen. Nadat in 1592 het Tegurium was afgebroken, liet hij een nieuw altaar te bouwen, de halve ring om het gedenkteken van Petrus verruimen en de vloer weer opbreken om het graf van Petrus vanuit de kerk zichtbaar en toegankelijk te maken; het werd door Maderno in 1615 gerealiseerd. Hiermee werd de huidige situatie geschapen.

    Na de verkiezing van Paulus V Borghese (1605-1621) kwam het probleem van de sloop van het oostelijk deel van de basiliek aan de orde. Deze paus nam het plan van Maderno over om de oostelijke tak van het ontwerp van Michelangelo te verlengen waardoor de basiliek alsnog de vorm van een Latijns kruis kreeg.

    afb09 schets plan madernoAfbeelding 09: Schets Plan van Maderno

    Kanttekening: Discussie tussen Grieks en Latijns kruis

    De argumenten die de doorslag gaven om af te stappen van het Grieks kruis en over te gaan tot een Latijns kruis, waren de volgende:

    De noodzaak van voldoende ruimte voor het uitvoeren van de plechtige ceremoniën (kroningen van pausen en koningen, heiligverklaringen, Heilig Jaar-feesten, processies);

    De behoefte aan ruimte voor het koor en aan een sacramentskapel, een doopkapel, een sacristie en aan de Loggia della Benedizione aan de gevel;

    De wens om het gehele gebied van de Constantijnse basiliek weer te bedekken.

    De sloopwerkzaamheden begonnen in 1606. De paus, indachtig de door Bramante aan kunstwerken veroorzaakte schade tijdens diens sloop, verordonneerde dat alles moest worden bewaard voor zo ver dat mogelijk was. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de door Sangallo ingerichte ruimte (de huidige Grotte Vaticane) en tevens werd de archivaris Giacomo Grimaldi belast met het beschrijven van elk ding dat successievelijk werd gesloopt. Via deze werkwijze konden alle pilaren van de oude Sint Pieter worden teruggeplaatst in de nieuwe Sint Pieter.
    De verlenging werd door Maderna voltooid in 1614.

    Aan het interieur is nog tientallen jaren gewerkt. In 1629 vertrouwde paus Urbanus VIII (1623-1644) Gian Lorenzo Bernini de verdere aankleding van de basiliek toe aan. De bronzen baldakijn van Bernini werd ingehuldigd in 1633. Bernini ontwierp en bouwde het Sint-Pietersplein pas in de jaren zestig van de 17de eeuw.

    Eén principe is tijdens het gehele proces onveranderd gebleven: het hoofdaltaar bleef boven het graf van Petrus en kwam onder de nieuwe koepel. De totale bouw heeft zo’n 170 jaar in beslag genomen. Ten slotte werd het plein met de colonnade vóór de basiliek in de jaren 1656-1667 gecreëerd door Bernini.

    Tijdens de bouw van de Sint-Pieter heeft men tot tweemaal toe sporen van de Vaticaanse begraafplaats aangetroffen. De eerste keer was tijdens het afbreken en bouwen van de gigantische koepelpijlers tijdens de periode van Bramante; de werklieden zijn toen gestuit op de volgestorte mausolea van de Romeinse begraafplaats, maar men heeft er geen ruchtbaarheid aan gegeven om vertraging te voorkomen. Ook in 1626 vereiste de bouw van de bronzen baldakijn boven het altaar stevige fundamenten; de architecten lieten toen graafwerkzaamheden verrichten. De toenmalige paus verbood verder onderzoek bang als hij was dat er niets zou worden aangetroffen. De opdracht was en bleef: het leggen van de fundamenten en verder niets.

    Aan de behoefte, respectievelijk pauselijke opdracht om de continuïteit met de oude basiliek te versterken is in de nieuwe basiliek op verschillende wijze vormgegeven:

    • - Het altaar moest hoe-dan-ook boven het graf van Petrus blijven;
    • - De kostbare zuilen (spolia) van de oude kerk zijn allemaal teruggeplaatst naast de zijaltaren en naast de ingangen van de nieuwe kerk;
    • - De porfieren treden van het oude altaarpodium zijn teruggelegd in de nieuwe absis;
    • - De treden van de confessio zijn architraafdelen van de oude Sint-Pieter;
    • - De wijnrankzuilen van de pergola, ooit door Constantijn geschonken, zijn opgenomen in de reliekenloggia’s in de vier koepelpijlers;
    • - De bronzen zuilen van de huidige baldakijn van Bernini vertonen dezelfde draaiingen als de wijnrankzuilen van Constantijn;
    • - De bronzen deur van Filarete, vervaardigd voor de oude basiliek, is teruggeplaatst – na aanpassing – als een van toegangsdeuren;
    • - Zelfs de uiteindelijke vorm van de nieuwe kerk (een Latijns kruis) komt overeen met de oude basilica, inbegrepen de oppervlakte.

     

    Onderstaande twee voorbeelden van het her-gebruik van de zuilen van de ‘oude’ Sint Pieter. Deze zuilen behoorden tot de zuilenrij van het middenschip.

    Oorspronkelijk zijn deze zuilen afkomstig uit de voorraden waarover keizer Constantijn de beschikking had.

    afb10 loggia 1992-04-19 Toelichting bij de foto – links.
    De voorgevel van de Sint Pieter met de Loggia della Benedizione.
    De met palmtakken omwikkelde zuilen ter weerszijde van de ingang zijn spoli

    Toelichting bij de foto – rechts.
    Links en rechts van het altaar staan twee zuilen van Portosanto-marmer. Het zijn spolia.
    Afb11 Hergebruikte zuilen

    Afbeelding 10: Foto hergebruikte zuil Afbeelding 11: Foto hergebruikte zuil

    NB.
    De pelgrim en/of toerist dient zich te realiseren dat een complex waaraan hele generaties bouwmeesters ruim 150 jaar hebben gewerkt, onmogelijk een volkomen eenheid kan zijn.


    7. 1939: Opgravingen

    Omdat de in 1939 overleden paus Pius XI in de crypte begraven wilde worden, gaf Pius XII opdracht om de crypte uit te diepen. Deze beslissing werd mede beïnvloed door het feit dat de stad Milaan (waar Pius XI aartsbisschop was geweest) een monumentaal graf had doen vervaardigen, dat niet plaatsbaar bleek in de toenmalige ruimte van die crypte. Tijdens de voorbereidingen van deze werkzaamheden stuitte de gravers op de bedolven mausolea. Paus Pius XII gaf opdracht tot verdere opgravingen, waarbij men uiteindelijk uitkwam bij het gedenkteken, dat het graf van Petrus markeerde. Pius XII deed hiervan plechtig melding op 23 december 1950.

    De bij het gedenkteken aangetroffen verzameling botten zijn op onwetenschappelijke wijze verwijderd: er werd, bijvoorbeeld, geen beschrijving van de vindplaats opgesteld en de dispositie van de botten werd niet beschreven. De botten werden opgeborgen in een doos en bewaard in een kast; pas jaren later is hiernaar onderzoek gedaan. De botten bleken te zijn van een oude man uit de eerste eeuw na Chr. Bij de botten bevinden zich geen voeten, terwijl ook de schedel afwezig is.

    Er bestaat binnen de wetenschappelijke wereld verschil van mening over de gehanteerde methoden dan wel over het niet hanteren van wetenschappelijke methoden. Ook is er geen wetenschappelijke zekerheid dat het gevonden schrijn het graf van Petrus aangeeft. De gevonden botfragmenten werden aangetroffen in een holte onder de muur en niet in de centrale nis van het monumentje. Zekerheid dat het de botten van Petrus zijn, is er niet; terechtgestelde misdadigers werden doorgaans in massagraven geworpen. Mogelijk geeft het monumentje de plaats van terechtstelling aan. Echter, of het nu het graf van Petrus is of zijn cenotaaf, alleen al het bestaan van dit monument vormt een verpletterend bewijs, dat de eerste christenen geloofden dat Petrus in of bij het Circus was gestorven.

    Kanttekening: Schedel van Petrus

    De kerk van Sint Jan van Lateranen is vanaf de stichting de kerk voor de bisschop van Rome geweest, geen gedachteniskerk dus; de kerk heette aanvankelijk Basilica Salvatoris. Om toch een relatie met de belangrijkste prinsen van de Kerk te verkrijgen zijn (delen van) de schedels van Petrus en Paulus bijgezet onder het hoofdaltaar van deze kerk.

    Paus Paulus VI (1963-1978) heeft op 26 juni 1968 plechtig verklaard dat de gevonden botten van Petrus zijn; volgens verschillende geleerden is daarvoor geen wetenschappelijk bewijs, anders dan dat de botten oud zijn.

    Kanttekening: Botten van Petrus

    Zoals reeds vermeld heeft de opgraving op niet-wetenschappelijke wijze plaatsgevonden. Naast allerlei andere bezwaren heeft één van de redenen voor twijfel te maken met de verering van de apostelen Petrus en Paulus op een plaats onder de huidige San Sebastiano aan de Via Appia. Volgens paus Damasus zijn de stoffelijke resten van de beide apostelen daar begraven geweest. Een andere bron noemt bij de datum 29 juni 345 ‘Gedachtenis van Petrus in de Catacomben in 258’. De botten zijn dus verplaatst (geweest). Zijn de botten wel of niet teruggeplaatst dan wel zijn de juiste botten teruggeplaatst, dat is dan de kwestie.

    Naast deze discussie zijn er ook geleerden die betwijfelen of Petrus überhaupt wel in Rome is geweest.

    Necropoli sotto la Basilica Vaticana

    Zoals hierboven al aangegeven, dient een bezoek aan de Necropoli sotto la Basilica Vaticana ruim te voren te worden aangevraagd. De procedures staan beschreven op de website van het Vaticaan.

    (http://www.vatican.va/roman_curia/institutions_connected/uffscavi/documents/rc_ic_uffscavi_doc_gen-information_20040112_en.html)

    Het kantoor van de Ufficio Scavi is het beginpunt van de rondleiding en is te bereiken via de Petrus’ Poort (rechts naast de Colonnade van Bernini) of via de Arco delle Campane (rechts naast de Sint-Pieter). Op vertoon van de reservering zal de Zwitserse Garde u de wegwijzen.

    Kanttekening: Vroegere locatie obelisk

    Vlak bij de poort, waaronder zich het kantoor van de Scavi bevindt, is de locatie waar de obelisk, nu op het Sint-Pietersplein, tot de verplaatsing in 1586 heeft gestaan; de plek wordt gemarkeerd door een witte vierkante tegel. Dit plein draagt de naam van Piazza dei Protomartiri Romani.

    afb12 pza protomartiri











     Afbeelding 12: Piazza dei Protomartiri Romani

    De gids leidt de bezoekers direct via een aantal trappen naar de necropool, waar de rondleiding voert over een antiek pad om ten slotte te eindigen bij de restanten van het gedenkteken op het (vermeende) graf van Petrus.

    De opgravingen bieden een duidelijk beeld zoals het terrein er in de Oudheid heeft uitgezien. De bezoeker moet zich realiseren dat dit pad in de 4de eeuw nog in de openlucht lag en direct toegankelijk was vanaf de Via Cornelia. Velen hebben hier in de eerste eeuwen als pelgrim gelopen op weg naar het gedenkteken op het (vermeende) graf van Petrus. Het is een straat met aan weerszijden een aantal grafhuizen, die goed bewaard zijn gebleven.

    De graven bestaan uit één of twee vertrekken, die kleurig zijn versierd met bijvoorbeeld vogels en bloemen. Sommige graven beschikken over nissen voor urnen; andere hebben ruimten voor sarcofagen. Deze graven van welgestelde Romeinen dateren uit de jaren 125 en 300 n. Chr.

    Bij een bepaald mausoleum is een inscriptie aangebracht met een deel van een testament. Hierin wordt vermeld dat een graf moet worden gebouwd op de Vaticaan-heuvel nabij de Renbaan (in het Latijn: in Vatic ad circum): een duidelijker bewijs voor het nabij gelegen Circus van Nero is nooit gevonden.

    Vanaf het begin van de rondleiding tot het gedenkteken loopt het pad voelbaar omhoog: de bezoeker loopt de helling van de Vaticaanse heuvel op.
    Slechts een deel is uitgegraven. Men veronderstelt dat de totale lengte van dit grafpad circa 500 m: ook onder het Sint-Pietersplein zijn resten gevonden.

    Opvallend is dat hier te midden van heidense graven ook christelijke graven zijn aangetroffen. De eerste christenen werden dus niet alleen in catacomben begraven. Een ander – niet onbelangrijk punt is dat in de grafhuizen relatief weinig plaatsen voor urnen zijn aangetroffen. Volgens geleerden is er sprake van een overgang in de cultus van begraven: men ging van het verbranden over naar het begraven.

    Met name in de buurt van het gedenkteken van Petrus worden verschillende afbeeldingen aangetroffen, die duiden op een christelijke achtergrond; onder andere in het mausoleum van de familie der Iulii bevindt zich de afbeelding van Christus Helios.

    Kanttekening: Christelijke beeldtaal

    De christelijke iconografie heeft zich in de loop der tijd ontwikkeld. De hamvraag was natuurlijk in die tijd: Hoe verbeeld je een Bijbels figuur? En dat in een tijdsgewricht waarin de Joodse erfenis nog niet geheel was achtergelaten; in het Oude Testament was immers het verbod op het maken van beelden opgenomen.

    De voorbeelden die in die tijd voorhanden waren, waren heidens. Feitelijk verschaften de heidense beeldhouwers en makers van sarcofagen de afbeelding voor een Bijbels personage. Zo staat in het grafhuis van de Iulii de Apollo-figuur voor Christus. Zo is de figuur van de Goede Herder (Christus met het schaap) afgeleid van een Romeinse herder, die zijn kudde weidt.

    De gids zal nadrukkelijk wijzen op de restanten van het gedenkteken van Petrus: de zogenaamde rode muur en een deel van de rechterzuil van het monumentje.

    De rondleiding eindigt in de Grotte Vaticane, alwaar nog een bezoek wordt gebracht aan de Cappella Clementina en de achterzijde van het Petrus-monumentje zoals dat in de Middeleeuwen boven de vloer van de oude Sint-Pieter uitstak.

    Voor een plattegrond en een exacte beschrijving van de verschillende grafhuizen:

    zie http://www.stpetersbasilica.org/, tabblad Scavi – Necropolis.

    Afb13 Schets Opbouw altaarAfbeelding 13: Schets altaaropbouw


    8. Tot slot

    afb14 s pieter als kerkelijk theaterAfbeelding 14: Foto Altaar en Stoel en H. Geest

    Bij binnenkomst in de kerk van Sint-Pieter ziet de bezoeker of pelgrim - staande in het middenschip - door de baldakijn heen het altaar samenvallen met de stoel van Petrus, de Cathedra Petri, én met Heilige Geest in de vorm van de duif daarboven.

    Een echt kerkelijk theater, het concept als uitwerking van de Contrareformatie, met de paus als intermediair.

    Waarvan acte!

    Bronnen

    Blaauw, dr. S. de

    Cultus et Decor (1987)

    Blaauw, Sibble de

    Het voortbestaan van de oude Sint-Pieter

    (artikel in Spiegel Historiael van feb/mrt 1999)

    Bosman, Lex

    The Power of Tradition (2005)

    Duffy, Eamon

    Heiligen & Zondaars:

    Een geschiedenis van de pausen (1997)

    Esser, B.W.

    Langs kerken en catacomben (1993)

    Koci Montanari, Silvia

    De antiken Brücken von Rom (2006)

    Lees-Milne, James

    Saint Peter’s – The Story of Saint Peter’s

    Basilica in Rome (1967)

    Lendering, Jona

    Stad in marmer (2002)

    Morton, H.V.

    Reiziger in Rome (1961)

    Muskens, mgr. dr. M.P.M.

    Op bedevaart, enz. (1988, 2de druk)

    Muskens, mgr. dr. M.P.M.

    Kerk van de Friezen bij het Graf van Petrus (1994, 3de druk)

    Stempvoort, Prof. Dr. P.A. van

    Petrus en zijn graf te Rome (1960, 2de druk)

    Rutgers, L.V.

    Onderaards Rome (2000)

    Verweij, Michiel

    De Santa Maria dell’ Anima te Rome (2003, 1ste druk)

    diverse auteurs

    Pracht en Praal van de paus (2003)

    (boek bij de gelijknamige tentoonstelling in het museum Catherijneconvent)

    diverse auteurs

    Roma Sacra

    San Pietro in Vaticano (2001)

     

     

     

    www.stpetersbasilica.org

     

    Diverse bezoeken o.a. aan de Necropoli sotto la Basilica Vaticana

     

    Colleges UVA

     

    Colleges HOVO-Utrecht

     

     

    Overzicht afbeeldingen

     

     

     

     

    Afbeelding 01.

    Schets Ager Vaticanus

     

    Afbeelding 02.

    Model gedenkteken

     

    Afbeelding 03.

    Schets Vaticaanse heuvel met afgraving

     

    Afbeelding 04.

    Oude Sint Pieter

     

    Afbeelding 05.

    Città Leonina

     

    Afbeelding 06.

    Foto Campo Santo Teutonico

     

    Afbeelding 07.

    Foto Graf Schaepman

     

    Afbeelding 08.

    Schets Bramante

     

    Afbeelding 09.

    Schets Plan Maderno

     

    Afbeelding 10.

    Foto Loggia

     

    Afbeelding 11.

    Foto hergebruikte zuil

     

    Afbeelding 12.

    Foto Piazza dei Protomartiri Romani

     

    Afbeelding 13.

    Schets altaaropbouw

     

    Afbeelding 14.

    Foto Altaar en Stoel en H. Geest